RUIMTE VOOR DUURZAME ENERGIE
  
 Energie initiatieven 2013-2050
  
 Energetische potentie - Ruimtelijke kwaliteit - Lokale trots
  
 Transitiefases
JAAR
2013
IN SAMENWERKING MET
Drift I Dutch Research Institute for Transitions
TEAM
Marco Vermeulen
Joost van der Waal
OPPERVLAKTE
2147483647 m2
STATUS
onderzoeksvoorstel
OPDRACHTGEVER
Ministerie van Infrastructuur en Milieu

RUIMTE VOOR DUURZAME ENERGIE


De wereld van energie in verandering: tussen top-down en bottom-up
Het energiesysteem is in rap tempo aan het veranderen, onder invloed van privatisering, klimaatdoelstellingen en de uitputting van fossiele brandstoffen. Tot voor kort was het energiesysteem overzichtelijk georganiseerd met een klein aantal bedrijven die energie produceren in grote centrales, om dat vervolgens naar de consument te transporteren. Nu zien we de opkomst van duurzame energietechnieken en parallel hieraan een trend van decentralisatie: energieopwekking, –uitwisseling en zelfs opslag gebeurt steeds vaker op lokale schaal (blok, buurt, wijk). In belangrijke mate worden deze decentrale oplossingen aangejaagd door lokaal gewortelde initiatieven: Nederland telt inmiddels honderden energie-initiatieven waarin burgers, bedrijven, gemeenten en woningcorporaties hun eigen energievoorziening vormgeven.

Deze trends van verduurzaming en decentralisatie zijn bepalend voor de toekomstige organisatie van de energievoorziening en de ruimtelijke impact hiervan. De energieproductie heeft grotere ruimtelijke impact, alhoewel de eenheden kleinschaliger zijn, en manifesteert zich op andere plaatsen (nu vooral op industrieterreinen, in de toekomst ook in de woonomgeving).

Een beter beeld van de bottom-up
Dit project heeft tot doel een beeld te krijgen van de toekomstige bijdrage van (al dan niet lokaal geïnitieerde) duurzame energieopwekking in het Nederlandse energielandschap, de ruimtelijke implicaties hiervan en de mogelijke rol van overheden hierbij. Hiertoe is het essentieel allereerst te begrijpen welke omslagen de huidige kiemen van verandering aankondigen en welke mechanismen bepalend zijn voor hun opschaling: volgens welke mechanismen worden zaken die nu nog een onderstroom vertegenwoordigen, zoals lokale duurzame energie-initiatieven, mainstream?

Deze opschaling is immers geenszins een extrapolatie; het gaat niet slechts om een schaalvergroting van de huidige initiatieven “van onderop”, of een toename in aantal van dit soort initiatieven – dat zou nog steeds onvoldoende zijn om te komen tot een volledig duurzame energievoorziening. De huidige onderstroom (de niches) vormt veel meer de voorhoede van een transitie, een fundamentele verandering in manier van denken, werken en organiseren. Tezamen met de druk van externe factoren (het landschap) zetten deze niches de dominante paradigma’s en routines in het energiesysteem (het regime) onder druk en vormen ze zo een “verandermacht”. Het verloop van de omslag in het energiesysteem zal grillig en via diverse wegen verlopen: zo zullen sommige bestaande partijen op de energiemarkt zich aanpassen terwijl anderen het niet redden; enkele partijen uit de huidige niches kunnen dominant worden en er zullen wellicht ook onverwachte spelers, zoals IT-bedrijven, een nieuwe rol op zich nemen in de toekomstige energievoorziening.

Om inzicht te krijgen in de betekenis van de huidige onderstroom voor de toekomst van het energiesysteem, is het dus niet alleen belangrijk om te kijken naar wat de initiatieven van onderop nu zijn, maar bovendien waar ze vandaan komen (drijfveren en context), wat hun meerwaarde is en welke belemmeringen van het huidige systeem ze blootleggen. Zo is het relevant dat veel initiatieven struikelen over protesten tegen hun landschappelijke impact – waaruit randvoorwaarden op zowel technische aspecten als ruimtelijke inpassing kunnen worden geconcludeerd. En valt op dat bij energiecoöperaties naast het ecologische aspect ook de sociaal-culturele inbedding een belangrijke rol speelt – wat ook goed ingevuld kan worden in gezamenlijk eigendom van centrale duurzame energieopwekking.

Top-down én bottom-up laten optellen tot een geheel
De energietransitie komt tot stand uit een samenspel tussen top-down sturing en bottom-up ontwikkelingen en gaat gepaard met fundamentele onzekerheden, machtsverschuivingen en conflicten. De vraag is: hoe krijgt de huidige vaak chaotische transitiedynamiek meer richting? Hoe kan meer richting worden gegeven aan de decentrale initiatieven, zodat zij een gerichtere bijdrage kunnen leveren aan de energietransitie richting 2050? En hoe kan om worden gegaan met mogelijke weerstand, zowel vanuit protestbewegingen als de traditionele fossiele energiehoek?

Voor het “top-down” perspectief van de overheid, centraal of lager, is het zeer belangrijk inzicht te krijgen in waar de bottom-up ontwikkelingen toe kunnen leiden, zodat hierop ingespeeld kan worden en ze gerelateerd kunnen worden aan de beleidsambities voor 2050. Dit kan op basis van bovengeschetste analyse van de onderstroom. Deze analyse leidt tot een typologie van duurzame energie-initiatieven die naast elkaar zullen bestaan in het toekomstige energiesysteem, hun opwekpotentie en de ruimtelijke implicaties. Nu gaat de aandacht vooral uit naar particulieren die zonnepanelen op hun dak leggen, maar er kan ook gedacht worden aan grootschalige projecten die coöperatief worden gefinancierd, zoals offshore windparken waarin particulieren een aandeel kopen; of woningbouwcorporaties die investeringen in duurzame energie financieren met een huurverhoging die compenseert voor de lagere energierekening van de huurder. Een dergelijke typologie geeft inzicht in de mogelijke combinaties van bestaande en nieuwe organisatievormen en technologieën waar overheden mee te maken gaan krijgen in de transitie. Vervolgens kan dit vertaald worden naar een handelingsperspectief voor de overheid: hoe in te spelen op deze beweging om potentie tot bloei te doen komen en hoe deze ontwikkelingen op een kwalitatief hoogwaardige manier in te passen in het landschap? Hierbij kan gedacht worden aan randvoorwaarden voor wet- en regelgeving, aanknopingspunten om de bottom-up een stem te geven in de beleidsveranderingen, en hen een kompas te bieden, samen te brengen en te professionaliseren. Op de ruimtelijke implicaties gaan we in de volgende paragrafen wat dieper in.

Ruimte voor transitie
Een energievoorziening gebaseerd op duurzame energiebronnen heeft een andere ruimtelijke impact dan de huidige energieproductie. Zo kan er gedacht worden aan:
- Centrale systemen op stedelijke schaal, zoals een interactief hoogtemperatuur stadswarmtenet, biovergisting voor biogas of windparken in de stadsregio;
- Decentrale systemen op wijk- en buurtschaal, zoals lagetemperatuur warmtenetten en koudenetten, warmteuitwisseling en –cascadering tussen gebouwen, warmtepompsystemen op oppervlaktewater, WKO en lokale bio-WKK’s; en
- individuele systemen op gebouwniveau, zoals zonnepanelen en warmtepompen.
Over het algemeen is te verwachten dat het ruimtelijke beslag groter wordt, maar dat er ook nieuwe mogelijkheden ontstaan om verschillende functies te combineren, zoals land- en glastuinbouw of dakbedekking met energieopwekking. Door dergelijke functies te combineren kan energie dichterbij de gebruiker worden opgewekt, waardoor er wellicht minder behoefte is aan hoogspanningsnetten. Wel zal er op distributieniveau meer behoefte zijn aan energie-uitwisseling om variabiliteit van duurzame bronnen op te vangen. Door slim te produceren, productielocaties slim te verbinden en slim te besparen ontstaat er ruimte voor onverwachte combinaties van functies en nieuwe ruimtelijke typologieën.

De energietransitie is daarmee niet alleen een sociaal-economisch, maar ook een ruimtelijke ordeningsvraagstuk. Daarmee ligt er een belangrijke rol voor de overheid om kaders te stellen en de transitie in goede banen te leiden. De uitdaging wordt de ambities voor ruimtelijke kwaliteit te verenigen met de ruimtelijke implicaties van de energietransitie.

De fundamentele maatschappelijke verandering die de transitie impliceert vergt naast fysieke ruimte ook mentale ruimte. Mentale ruimte ontstaat door mensen ertoe aan te zetten ingesleten patronen en werkwijzen te bevragen. Ontwerpend onderzoek kan daarin een belangrijke rol spelen door een wenkend perspectief te schetsen en aangrijpingspunten te bieden om de potentie van lokale energie-initiatieven beter te benutten. Het ontwerpend onderzoek dat wij voor ogen hebben, zal leiden tot:
- Een kompas voor duurzame energie-initiatieven vanuit een ruimtelijke visie;
- Een overzichtskaart van de fysieke en maatschappelijke potentie voor duurzame energie;
- Inzicht in de wijze waarop duurzame energie-initiatieven juist bij zouden kunnen dragen aan ruimtelijke kwaliteit, waarmee het voorbij gaat aan de nu veel gehoorde bezwaren van verrommeling van het (stads)landschap en de hieruit voortvloeiende maatschappelijke weerstand.

Ruimtelijke inpassing speelt een niet te onderschatten rol bij het slagen van de energietransitie. Daarom stellen wij de ruimtelijke dimensie van deze transitie centraal in ons onderzoek. Daar ligt ook een belangrijk deel van onze expertise. Wat betekent een volledige duurzame energievoorziening voor onze steden en voor ons landschap? Gaat er kwaliteit verloren of kunnen we de energietransitie aangrijpen om tegelijkertijd ook andere vraagstukken te adresseren? Kan een energielandschap ook een leefomgeving creëren die we met trots doorgeven aan de volgende generatie? Wij denken van wel…

Jan Paul van Soest, Jan Rotmans, Maarten Hajer en Jan Jonkers komen allen tot dezelfde conclusie: “het probleem is niet dat de mensen de boodschap niet horen, het probleem lijkt veel meer dat er een concreet handelingsperspectief ontbreekt. Er is enorme maatschappelijke dynamiek en er zijn vele honderden duurzaamheidinitiatieven. Tegelijkertijd ontbreekt het masterplan”.
Wij stellen niet voor om een masterplan voor de transitie te ontwikkelen, maar denken dat de volgende elementen wel bij kunnen dragen aan het bieden van een handelingsperspectief voor betrokkenen:

Kompas met ruimtelijke visie
Er zijn beleidsdoelstellingen voor 2050 geformuleerd, maar het is nog onvoldoende in beeld hoe we deze op de meest kosten- en ruimte-effectieve manier kunnen halen. En of dit goed te combineren is met andere doelstellingen zoals ruimtelijke kwaliteit en landschappelijke waarde. Wel zeker is dat het serieus nemen van de energieopgave tot 2050 gepaard zal gaan met een grote ruimtelijke impact op het (stads)landschap. We kunnen daarbij niet eindeloos blijven polderen over iedere windmolen, maar er zullen keuzes gemaakt moet worden. Maar op basis waarvan? Wat is het wenkend perspectief? En hoe kunnen individuele burgers en decentrale initiatieven bijdragen aan de realisatie hiervan?

Oogstkaart voor duurzame energie
Nu we een beeld hebben van de dynamiek van decentrale energie-initiatieven lijkt het zinvol om ook een toekomstbeeld te schetsen waarbij Nederland beschikt over een betrouwbare en betaalbare energievoorziening (inclusief opslag) volledig gebaseerd op duurzame bronnen.
We zullen daartoe allereerst de potentie van onder andere windenergie, bodemenergie en restwarmte in een ‘oogstkaart’ voor zowel warmte als elektriciteit samenbrengen. Waar liggen energetisch de meeste kansen? Waar zijn de meeste opbrengsten tegen de laagste kosten te verwachten? Waar moeten we beginnen met het oogsten van duurzame energie?

Ruimtelijke voorkeuren aangeven
Vervolgens willen we weten hoe zich dit verhoudt tot de ambitie om landschappelijke waarden te respecteren en waar mogelijk uit te breiden. Waar koesteren we de bestaande ruimtelijke en landschappelijke kwaliteit (o.a. nationale landschappen) en worden duurzame energievoorzieningen als bedreiging ervaren. Welke delen van Nederland zijn landschappelijk juist veel minder aantrekkelijk (haven, glastuinbouw, bedrijventerrein, grootschalige landbouw) en biedt het toevoegen van duurzame energievoorzieningen juist kansen voor verbetering van ruimtelijke kwaliteit en landschappelijke waarde? Ook dit verbeelden we in een kaart, waarbij we zoveel mogelijk gebruik maken van bestaande waardekaarten.

Lokale trots
Voorbeelden als Texel Energie laten zien dat lokale trots en identiteit belangrijke drijfveren zijn voor veel van de nieuwe energie-initiatieven. Daarom onderzoeken we de potentie hiervan voor toekomstige initiatieven. We brengen in kaart waar in Nederland nieuwe initiatieven te verwachten zijn op basis van gemeenschapsgevoel en sterke lokale identificatie.

Het over elkaar leggen van deze drie kaarten geeft een eerste objectief inzicht in locaties die een grote maatschappelijke en fysieke energiepotentie bezitten en tegelijkertijd, vanuit het oogpunt van ruimtelijke kwaliteit, in aanmerking komen voor transformatie tot energielandschap. Op basis hiervan kan een toekomstbeeld geschetst worden waarbij optimaal gebruik wordt gemaakt van de beschikbare energiebronnen zonder daarbij
‘ruimtelijke schade’ aan te richten. Dit toekomstbeeld zal een mengvorm zijn van gecentraliseerde, collectieve oplossingen (bijvoorbeeld een warmtenet in stedelijke gebieden) en decentrale, autarkische oplossingen (in dunbevolkte gebieden). De energielandschappen die zo ontstaan zijn telkens ingegeven door lokale condities en potenties en kunnen een belangrijke bijdrage leveren aan de ruimtelijke identiteit hiervan.

GERELATEERDE PROJECTEN

NORDHAVNEN
2008, KOPENHAGEN (DENEMARKEN)
THE DUTCH MOUNTAINS
2016, VELDHOVEN
WAALWEELDE MIDDEN
2012, TIEL
BIESBOSCH MUSEUMEILAND
2015, WERKENDAM
BIOBASELOAD
2013, PROVINCIE ZUID-HOLLAND

Bookmark and Share
energie_initiatiev_thu2.jpg
wind_ruimtelijke_k_thu2.jpg
schema_s_thu2.jpg